In de zeventiende eeuw had het in Delft geproduceerde "Hollants porceleyn" in heel Noord-Europa een buitengewoon succes. Het was even verfijnd en schitterend als zijn Aziatische modellen, die de Verenigde Oost-Indische Compagnie uit het Verre Oosten naar Europa verscheepte. De Delftse aardewerkproducenten ontwikkelden vanaf omstreeks 1620 een eigen recept om het oosters porselein naar de kroon te steken. Rond 1660 waren in de stad een twintigtal manufacturen actief, die zowel voor de binnenlandse als debuitenlandse markt werkten. Vanaf die tijd tot aan het begin van de achttiende eeuw beleefde het Delfts aardewerk het hoogtepunt van zijn roem. Aan het einde van de negentiende eeuw een twintigtal jaar nadat de productie volledig was stilgevallen ontstonden de eerste grote verzamelingen. In het kielzog van die verzamelwoede, die in de hand werd gewerkt door de toenmalige vernieuwing in de toegepaste kunsten, groeide de interesse voor het Hollands aardewerk uit de zeventiende eeuw als een getuigenis van een niet zo verafgelegen, glorierijk verleden en een bijzonder commercieel succes. Verzamelaars werden zowel verleid door de perfectie van de techniek als door de vindingrijkheid en de verscheidenheid van de vormen. Op basis van archeologische opgravingen in Delft, Amsterdam en Haarlem, grondig archiefonderzoek en vergelijkende analyses werden de inzichten in het Delfts aardewerk de laatste vijftien jaar grondig verdiept. Onderzoekers hebben een chronologie opgesteld en ze zijn erin geslaagd de stukken op een tiental jaar na te dateren. Vandaag spitsen ze zich toe op de identificatie van het werk van bepaalde decorateurs en de productie van bepaalde werkplaatsen. Niet alle Hollands plateelwerk werd in Delft geproduceerd.